In lieu of an abstract, here is a brief excerpt of the content:

Bibliography Works by Herman Dooyeweerd “Het Calvinistische beginsel der souvereiniteit in eigen kring als staatkundig beginsel.” Nederland en Oranje 4 (1923): 98–99, 185–189; 5 (1924): 8–15,­ 27–31, 71–76. “Inzage in de bedrijfsboekhouding door de arbeidersvertegenwoordigers in de particuliere onderneming.” Antirevolutionaire Staatkunde 1 (1924–1925): 291–306. “In den strijd om een christelijke staatkunde. Proeve van een fundering der calvinistische levens- en wereldbeschouwing in hare wetsidee.” Antirevolutionaire Staatkunde 1 (1924–1925): 7–25, 62–79, 104–118, 161–173, ­ 189–200, 228–244, 309–324, 433–460, 489–504, 528–542, 581–598, 617–634; 2 (1926): 244–265, 425–445; (quarterly) 1 (1927): 142–195. Calvinisme en natuurrecht. Amersfoort: Wijngen, 1925. “De band met de beginsel. Inzake het vraagstuk der medezeggenschap.” Nederland en Oranje 7 (1926): 2–18, 33–40. “Het oude probleem der christelijke staatkunde.” Antirevolutionaire Staatkunde 2 (1926): 63–84. “Tweeërlei kritiek. Om de principieele zijde van het vraagstuk der medezeggenschap .” Antirevolutionaire Staatkunde 2 (1926): 1–21. De betekenis der wetsidee voor rechtswetenschap en rechtsphilosophie. Kampen: J. H. Kok, 1926. [Inaugural address.] “De oorsprong van de anti-these tusschen Christelijke en Humanistische wetsidee en hare beteekenis voor de staatkunde.” Antirevolutionaire Staatkunde (quarterly) 1 (1927): 73–107. “De universitaliteit der rechtsgedachte en de idee van den kultuurstaat.” Almanak van het Studentencorps aan de Vrije Universiteit (1928): 103–121. 412 Bibliography 413 “De strijd om de grondslagen ven het volkenrecht.” De Volkenbond 4 (1929): 316–320. “De structuur der rechtsbeginselen en de methode der rechtswetenschap in het licht der wetsidee.” In Wetenschappelijke bijdragen, aangeboden door hoogleeraren der Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar 50-jarig bestaan 20 October, 1930, 223–266. Amsterdam: De Standaard, 1930. “De bronnen van het stellig recht in het licht der wetsidee. Een bijdrage tot­ opklaring van het probleem inzake de verhouding van rechtsbeginsel en positief recht.” Antirevolutionaire Staatkunde 4 (1930) (quarterly): ­ 1–59, 224–263, 325–362; 8 (1934): 57–94. De crisis der humanistische staatsleer in het licht eener calvinistische kosmologie en kennistheorie. Amsterdam: Ten Have, 1931. “Het Amsterdamsche rapport inzake de medezeggenschap van het personeel in de gemeentebedrijven en -diensten.” Antirevolutionaire Staatkunde 8 (1932): 71–86, 121–132, 152–168. “De theorie van de bronnen van het stellig recht in het licht der wetsidee.” Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts 19 (1932) ­ 1:1–28; 2:1–10, 24–31. “Het vraagstuk van het organisch kiesrecht in een nieuw stadium.” Almanak van het Studentencorps aan de Vrije Universiteit (Amsterdam, 1935): ­ 105–121. De Wijsbegeerte der Wetsidee. 3 vols. Amsterdam: H. J. Paris, 1935–1936. “De wijsgeerige grondslagen van het fascisme.” Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts 24 (1937) 2:58–65. Recht en historie. Assen: Hummelen, 1938. “De wijsgerige grondslag der democratie.” Handelingen voor de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Recht 25 (1938) 2:33–42, 59–61. “De wijsgerige achtergrond van de moderne democratische reactie tegen het individualisme.” Mededeelingen van de Vereeniging voor Calvinistische Wijsbegeerte 4 (1939): 7–10. “De ‘Théorie de l’institution’ en de staatsleer van Maurice Hauriou.” Antirevolutionaire Staatkunde 14 (1940): 301–347; 15 (1941): 42–70. “De leer van de mens in der Wijsbegeerte der Wetsidee,” Correspondentiebladen 7 (1942): ­ 133–144. [Published in English as “The Theory of Man: Thirtytwo Propositions on Anthropology” (Institute for Christian Studies,To­ ronto, n.d.)]. “De idee der individualiteits-structuur en het Thomistisch substantiebegrip. Een critisch onderzoek naar de grondslagen der Thomistische zijnsleer.” Philosophia Reformata 8 (1943): 65–99; 9 (1944): 1–41. “Enkele opmerkingen inzake de ‘Richtlijnen’ betreffende een toekomstige bedrijfsorganisatie .” Mimeograph. 1944. 414 Bibliography “De verhouding van individu en gemeenschap rechtswijsgeerig bezien.” Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte en Psychologie 39 (1946): ­ 5–12. “Een nieuw geschrift over Hauriou’s leer der ‘Institution.’” Bestuurswetenschappen 2 (1948): 1–15. Transcendental Problems of Philosophic Thought: An Inquiry into the Transcendental Conditions of Philosophy. Grand Rapids: Eerdmans, 1948. “Het historisch element in Groen’s staatsleer.” In Groen’s “Ongeloof en Revolutie ,” edited by L. C. Suttorp et al., 89–98. Wageningen: Zomer en Keuning , 1949. “De sociologische verhouding tussen recht en economie in het probleem van het zgn. ‘economisch recht.’” In Opstellen op het gebied van recht, staat en maatschappij aangeboden aan Prof. Dr. A. Anema en Prof. Dr. P. A. Diepenhorst bij hun afscheid van de Vrije Universiteit door oud-leerlingen, ­ 221–265. Amsterdam: Bakker, 1949. “De vooronderstellingen van ons denken over recht en samenleving in de crisis van het moderne historisme.” Rechtsgeleerd Magazijn Themis (1949): 193–248. De strijd om het souvereiniteitsbegrip...

pdf

Additional Information

ISBN
9780268076894
Related ISBN
9780268023058
MARC Record
OCLC
761233339
Pages
464
Launched on MUSE
2012-01-01
Language
English
Open Access
No
Back To Top

This website uses cookies to ensure you get the best experience on our website. Without cookies your experience may not be seamless.