In lieu of an abstract, here is a brief excerpt of the content:

  • Owl and Suckling Pig
  • A. L. Snijders (bio)
    Translated by Lydia Davis (bio)


During the past week, at night, an owl has been flying over the house. He shrieks in order to frighten his prey—perhaps he has his eye on me as well. If this were Shakespeare’s England, I would be frightened because in those times the owl’s cry in the night was an announcement of death. But those times are past, now what I have to be afraid of is that someone will enter my head via my computer and read my thoughts. Here, superstition has made no advances. Concerning the owl, by the way, I read a line by the Polish poet Wisława Szymborska: “In certain circumstances the owl is the baker’s daughter.” And when I hear the nocturnal cries I have to laugh a little about the baker’s daughter. In the poem the queens Mary Stuart and Elizabeth Tudor were also named, in fact—it should not surprise me that Shakespeare lived at the same time.

Yesterday toward sunset I stood by the lock in Eefde, where the Twente Canal comes out into the IJssel. Another man also stood there watching, wearing a long, white fur coat, a polar bear in summer. I actually see him often, we don’t speak to each other, but nod by way of sealing the peace. I don’t want to say anything about that fur coat, but on the back of it from top to bottom a fiery red line [End Page 542] has been sewn, ten centimeters wide. And that is the reason I don’t feel entirely comfortable. I deem it not out of the question that it isn’t the owl shrieking by my house at night, but this man with his fur coat and that red line.


Er vliegt de laatste weken’s nachts een uil over het huis. Hij schreeuwt om zijn prooi bang te maken—misschien heeft hij mij ook wel op het oog. Als dit het Engeland van Shakespeare was zou ik bang zijn omdat in die tijd de nachtelijke kreet van de uil de dood aankondigde. Maar dat is verleden tijd, nu moet ik bang zijn dat iemand via mijn computer mijn hoofd binnentreedt en mijn gedachten leest. Het bijgeloof is er niet op vooruit gegaan. Over de uil las ik trouwens een regel van de Poolse dichter Wisława Szymborska: ‘In bepaalde omstandigheden is de uil de dochter van de bakker.’ En als ik de nachtelijke kreten hoor moet ik een beetje lachen om de dochter van de bakker. In het gedicht worden trouwens ook de koninginnen Maria Stuart en Elisabeth Tudor genoemd—het zou me niet verbazen als Shakespeare in dezelfde tijd geleefd had.

Gisteren stond ik tegen zonsondergang bij de sluis in Eefde, waar het Twentekanaal uitkomt in de IJssel. Daar stond ook een man te kijken met een lange witte bontjas aan, een poolbeer in de zomer. Ik zie hem wel vaker, we spreken elkaar niet, maar knikken bij wijze van vredesbetoon. Over die bontjas wil ik niets zeggen, maar op zijn rug is van boven naar beneden een vuurrood lint genaaid, tien centimeter breed. En dat is wel de reden dat ik me niet helemaal op mijn gemak voel. Ik acht het niet uitgesloten dat het niet de uil is die’s nachts bij mijn huis krijst, maar die man met zijn bontjas en dat rode lint. [End Page 543]

Suckling Pig

I often think about a photo that I’ve never seen. It was taken on New Year’s Eve in 1926 in Yugoslavia. A man in a tuxedo is enjoying himself in a night club with two beautiful women in low-cut evening dresses. Under his arm he is holding a suckling pig. The women are laughing and he is too, the pig is not laughing, it is holding its mouth wide open, it is probably squealing. Now that I write it down, I realize that this is an expression: “to squeal like a pig.” And I also realize that I never hear this expression anymore. The boy next door to us was often struck by his...


Additional Information

Print ISSN
pp. 542-544
Launched on MUSE
Open Access
Back To Top

This website uses cookies to ensure you get the best experience on our website. Without cookies your experience may not be seamless.